Two in a million
Wat als Helena
zelf had moeten vechten
voor haar liefde.
De klokkentoren op het plein in Praag slaagt gestaag drie uur. Toeristen laten hun camera’s herhaaldelijk flitsen. Op een terras in het midden van het plein zit een man samen met een jonge vrouw. Hij bestelt een koffie, zij ijsthee. Het is een warme dag.
“Mooi, hè, hier,” merkt de man op.
“Ja.”
“Wil je vanavond nog in dat restaurant bij de opera eten?”
“Zeker wel,” glimlacht het meisje. Hij neemt een slok van zijn koffie.
“Goede koffie, hier.”
“Oja?”
“Beter dan thuis.”
Ze gromt. “Deze ijsthee is anders ook lekker.”
De man zet zijn zonnebril op.
“En Mucha is fantastisch hè?”
“Niet zo mijn ding,” zegt hij.
Met grote ogen staart ze hem aan. “Hoe kan je Mucha nu niet goed vinden?”
“Ik zei niet dat ik hem niet goed vond. Ik zei alleen maar dat hij niet mijn smaak is.”
Ze zet haar glas met een harde klap op de tafel neer.
“Ik denk dat ik straks maar die rondleiding ga volgen.”
“Maar die duurt wel drie uur,” leest hij van een folder.
“Dan ga je toch niet mee.”
“Maar ik wil wel mee,” zegt hij nadrukkelijk.
“Ik weet het. Maar je kunt nu eenmaal niet mee.”
“Ik weet het,” fluistert ze.
*
Hij zucht. “Ik merk het aan je. Het gaat zo niet langer.”
Ze probeert te knikken, maar haar de spieren in haar nek weigerden.
“Je moet gaan. Het moet.”
“Nee,” gromt ze nadrukkelijk. “Dan is het weg. Ik wil verdomme niet dat het weg is.”
I
Het donkere halflange haar waar ik minutenlang gefascineerd naar kon staren. Als hij serieus voorover gebogen essays na zat te kijken. Hoe zijn kaaklijn iets meer naar voren stond, waardoor hij altijd zo vertederend zijn lippen op elkaar kon doen. Terwijl ik zo naar hem zat te kijken, leek ik zelf op te houden met bestaan. Totdat hij mij aan zou kijken, met zo'n stiekem glimlachje op zijn gezicht. Natuurlijk had hij best mijn vader kunnen zijn, maar dat was hij niet. En dat was alles wat er toe deed.
Hoe hij dan opstond, vluchtig zijn spullen in zijn tas stopte en mij speels wenkte mee naar huis te gaan. Het was zijn huis, waar ik eigenlijk niet thuis kon horen. Hoe wij dan samen op de bank kropen, waar wij elkaar verhit zoenden, grepen en uiteindelijk uitgeput op elkaar neervielen. Dat ik dan ’s avonds laat zijn huis uitsloop en nog snel de laatste trein naar huis probeerde te halen. Op zulke momenten zakte de moed mij in de schoenen. Ik kon niet met deze ontmoetingen doorgaan. Maar als ik dan de volgende ochtend bij het passeren van elkaar in de gang zijn handen vluchtig op mijn lichaam voelde, wilde ik niets liever.
“Lieverd,” fluisterde hij zachtjes. Hij wist dat ik bezweek aan zijn Britse stemklank en zijn lippen dichtbij mijn oor. Ik zuchtte, hij kende mij veel te goed.
“Het gaat toch goed?” zei hij en ging weer achter zijn bureau zitten.
“Nee, helemaal niet. Ik meer om je dan goed voor me is.” Ik was naar zijn stoel gelopen en op zijn schoot gaan zitten.
“Dus?” Hij keek mij vragend aan. Alsof hij echt niet doorhad wat voor een probleem dat was.
“Je wilt niet weten hoe ik dan ben. Dan ga eisen, irreële dingen.”
“Zoals?”
Diep zuchtte ik en dacht wanhopig terug aan een vorige relatie. “Het gaat gewoon niet. Dit is pure zelfbescherming, als ik dit niet doe, ga ik stuk.” Ik beet op mijn lip. Deze daad zou mijn trots moeten aanwakkeren, maar het enige wat ik voelde was pijn. Ik wilde helemaal niet bij hem weg.
“Als dit is wat je wilt zal ik je niet tegenhouden.” Hij streelde mijn rug en keek me te diep in de ogen. Waarom leek juist nu alles zo mooi? Ik moest mezelf met moeite herinneren aan het stilletjes verlaten van zijn huis. Hoe verloren en afgedankt ik mij iedere keer voelde. “Maar ik zal je missen, lieverd.”
“Ik jou ook. Meer dan dat je je kan indenken.” Nog een keer keek ik hem aan met die liefdevolle blik die ik hem zo vaak had toegeworpen als we elkaar op de faculteit tegen het lijf liepen. Waarna ik dan met een serieus en ondeugend gezicht op de deur van zijn kamer zou kloppen, met een vraag over mijn essay. Hoeveel vragen ik over dat ene essay wel niet had gesteld.
“Je weet me te vinden, als je me nodig hebt,” zei hij nog met een blik van empathie waaruit ik overmatige bezorgdheid opmaakte. Alsof ik niet zonder hem kon leven.
Bijtend op mijn lip hief ik mijn hand op bij wijze van afscheidsgroet. Of hij me nog nakeek weet ik niet, omkijken bij afscheid vergroot het leed alleen maar. Daar had ik al genoeg van. Hoewel verblind door mijn tranen wist ik mij een weg te vinden naar het station. Waarom ik niet een einde aan alles maakte? Omdat ik helemaal niets meer wist. Ergens in mij zat nog wel een overblijfsel aan iets voordat ik Simon ontmoette, maar het deed er niet meer toe. Hij was mijn geluk geweest, maar bij voorbaat al met een korte houdbaarheidsdatum.
II
Ze voelde de kille harde stenen niet eens tegen haar hoofd aanschuren. De enige gewaarwording was die van warme vochtige lippen die de hare omsloten. Hoe lang was de liefde wel niet geleden. Handen die haar lichaam pas voor het eerst op deze manier aanraakten. Het was zo overdonderend echt. Niettegenstaande had ze honger en kon ze hem niet loslaten. Na al die tijd had ze het nodig. Hard liefhebben, net zolang totdat het pijn doet.
Ze voelde zijn schouders, zijn armen en de onregelmatige ademhaling in haar oor. Deze was echt, hij ging niet weg. Bijna angstig hield ze hem dicht tegen zich aan.
“Simon, ik wil niet dat je weggaat,” fluisterde ze.
“Tuurlijk niet,” glimlachte hij in het donker. Hij kuste haar. “Ik ga nergens heen.”
“Ik kan niet meer,” stamelde ze en stortte zich in zijn armen. In haar zoenen proefde hij haar tranen. Hij had haar gemist. Ze duwde hem tegen de muur aan, eisend.
“Over een half uur moet ik college geven,” fluisterde hij tussen haar hongerige lippen door.
“Heb je nodig,” was alles dat ze nog kon uitbrengen voordat ze haar shirt haastig van zich afschudde. Nog nooit waren ze zo gretig geweest. Al die weken die voorbij waren gegaan werden nu in deze ene ontmoeting gewrongen. Het werd er niets minder van.
Ze waren verblind van verlangen. Pas toen ze uitgeput op het bureau lagen werd ze zich weer bewust van de situatie. Ze zuchtte.
“Waarom doe ik dit toch?”
“Je hebt me nodig.” Hij raapte zijn overhemd van de grond.
“Nee, ik heb je helemaal niet nodig!” Ze gaf hem zijn riem aan.
“Waarom ben je hier dan?”
“Gewoon.” Ze deed zijn stropdas om.
“Je rende net mijn armen in. Of was dat om te bewijzen hoe goed je zonder me kunt?”
“Hou op. Ik kan er niet tegen. Ik weet het niet. Ik mis je.”
Hij kuste haar zachtjes. Ze rook in zijn nek de verslavende combinatie van zijn after shave en de geur net vrijgekomen van zijn lichaam.
“Ik mis jou ook. Kom terug.”
“Nee. Het gaat beter. Ik heb een vriend, een echte.”
“Maar niet genoeg?” Ze haatte zijn vraag die alles zo goed leek samen te vatten. Waarom had ze niet voldoende, waarom moest ze toch terug naar hem?
“Wel,” zei ze koppig. “Het is genoeg. Alleen, ik moest gewoon nog zien, wat ik voor je voelde.”
“Oh,” hij slikte. “En?”
“Niks, helemaal niets.” Even verbijsterde haar eigen situatie haar. Zij die twijfelend voor de mooiste, bijzonderste en meest onbereikbare man die ze kende, stond. En ze kon alleen maar ontkennen. Maar hoe plots ze zich het realiseerde, hoe snel het weer verdwenen was. Het waren weer Simon en zij.
“Ik ga.” Haastig vluchtte ze zijn kamer uit.
“Je vergeet je-” riep hij haar nog na, maar ze was de gang al uit. Daar stond hij, met een keurig gevouwen stropdas en een riem in zijn broek, maar zijn gulp open. Met haar roze hemdje in zijn hand.
“-hart,” maakte hij zijn zin af.
III
Ze staarde uit het open raam om in de regen zijn gezicht te herkennen. Haar laatste poging hem te hervinden was al meer dan een maand geleden geweest. Stiekem sloot ze haar ogen om zich een voorstelling te maken van hoe hij college gaf met zijn trouwring om. Terwijl zij hem heimelijk hunkerend bekeek. Hoe zijn overhemd nonchalant over de band van zijn broek hing. De krijtstreepbroek waar zij altijd zo dol op was. Hoe hij zijn handen vaak in zijn broekzakken stak. Hoe zij achter hem ging staan, zijn armen tot in zijn zakken traceerde, hij zijn hoofd omdraaide en haar vragend zoende. Een verzoek tot meer.
“Roos?”
“Simon,” prevelde ze.
“Ja,” antwoordde hij.
“Oh,” verzuchtte ze. “Jij bent ‘t.” Hij kwam naast haar in de vensterbank zitten en streelde haar blonde haren.
“Natuurlijk ben ik het.” Zijn blonde haren waaiden zachtjes met de wind mee.
Zwak zonlicht scheen de slaapkamer binnen. Als ze niet teleurgesteld was geweest door het lichaam dat naast haar lag, was het een mooie ochtend geweest. Eigenlijk was er niets mis aan hem. Hij was zelfs bijzonder mooi. Waarom konden haar gedachten dan alleen maar dwalen naar die ander zijn uitvallende haren, zijn ongezonde rookgewoonte en ruwe handen?
Het lichaam naast haar begon te ontwaken. Zo zachtjes mogelijk kroop ze uit bed, zocht ze haar kleren bij elkaar en ging ze de trap af. Met haar jaarkaart krampachtig in haar palm geklemd zocht ze de dichtstbijzijnde bushalte op.
Alles was begonnen toen ze Simon Cook voor het allereerst had gezien, op de introductieweek van haar studie. Toen al had ze zichzelf zachtjes toegefluisterd dat ze hem wilde hebben. Toen wist ze het al, dat ze niet om hem heen kon, hoe hard ze ook zou proberen. Soms verachtte ze haar eigen zelfkennis. Heel lang was het goed gegaan. Totdat ze op een punt was aangekomen waarop ze alleen nog maar vastberaden kon zijn. Het had niets met uiterlijk te maken, maar met die kolkende massa van lust die ze niet meer kon controleren.
“Hij wordt van mij, dat beloof ik je,” had ze zelfs in een overmoedige bui tegen Leonie gezegd. Ironie en zelfspot bevatten vaak een kern van waarheid, zo had ze geleerd tijdens Moderne Letterkunde. Of het nu de joint was die ze die avond daarvoor had meegekregen, of dat ze voor deze keer eens echt assertiviteit bezat, was niet duidelijk. Ze was zijn kamer ingestapt en had hem een harde kus op zijn lippen gedrukt. Ze had nog beleefd gedag gemompeld, voordat ze deur achter zich had gesloten.
Op Hoog Catharijne nam ze de afslag die ze de voorgaande jaren zo vaak bewandeld had, op weg naar college. De Dom schreeuwde haar toe dat het nog veel te vroeg was, half acht.
In een oud gerafeld overhemd deed hij de deur open. Hij had nog liggen slapen.
“Wat doe je hier?” fluisterde hij.
“Bij jou willen zijn.” Ze staarde naar de stoeptegels die haar ook leken te haten.
“En je Simon dan?”
“Ik ben zo alleen, zonder je.”
Hij zuchtte.
Hij kon haar zo nonchalant liefhebben. Zijn hele bestaan was iets nonchalants. Alsof het puur toeval was dat hij bestond. Alsof hij het niet kon helpen wie hij was en wat hij deed. Al het andere viel in het niet. Als hij ooit voor een rechtbank zou moeten verschijnen zou niemand hem aansprakelijk achten. Omdat hij gewoon niet in staat was iets anders te zijn dan dat hij was.
Was iets buiten zijn natuurlijke context om nog wel datzelfde iets? Simon zonder pak, stapels essays, verwilderde blikken en zijn Dr. Zou ze zich nog net zo gewillig op zijn bureau laten nemen als er geen man in zijn machtspositie tussen haar benen had gestaan? Zonder referentiekader misschien niet eens een referentie.
Hij was niet de man die je mee zou nemen naar een zorgvuldig gekozen weekend Parijs. Zijn bestemming zou een ongelukkig gekozen toeval zijn. Als ze ergens doorheen reden zou hij zomaar de auto voor een lokaal hotel parkeren. Alwaar zij dan sputterend de auto uitklom. “Maar ik heb morgen college Victorian detectives!” riep ze dan tegenstribbelend. Hoe hij haar dan de allesbeslissende zoen op de lippen drukte en haar Sir Conan Arthur Doyle gestolen kon worden. Studies stonden niet in verhouding tot Simon.
Soms probeerde een onwetende jongeling haar een knipoog toe te werden, aannemend dat haar partner haar vader was. Het deed haar dan een groot plezier vlak voor deze jongen zijn neus een plagende zoen van Simon af te troggelen. Dan was de toeschouwer er wel snel vandoor.
“Vind je dat nou zo leuk?” had hij gevraagd.
“Ik vind jou zo leuk.”
Hij had haar stilletjes binnen gevraagd, warme koffie in haar handen gedrukt haar vastgehouden. Zij was naar binnen gestapt, had de koffie opgedronken en snoof zijn warmte op.
“Hoe ik jou mis.”
“Hoe jij mist,” herhaalde hij.
Stil stonden ze in de keuken elkaar aan te kijken.
Zij liet haar beker op de grond vallen.
IV
Ze was gegaan. De woorden herhaalden zich in haar hoofd. Je moet gaan, het gaat zo niet langer. Ze wist wel dat niets meer ging. Nu was ze op weg. De stappen die zij zette in het groene gras. De verdorde boeketten zij verlaten zag liggen.
Daar was het einde. Het had nooit geheel voorbij kunnen zijn, behalve nu. Er was geen hypothese meer over. Geen scheiding, geen stiekeme vakantie en geen leeg bureau. Hij was weg en zij was alleen. Een leeg hart. Niemand die het gat in haar zou erkennen. Zij was niets voor de wereld.
“Kom,” Simon pakte haar arm vast. Met zijn lichtblonde haren in de schemering leek hij mythologisch. Maar haar hart lag op het gras, naast de rode roos.
Don’t want you
to leave me to the dark
Don’t need you
to tear my heart apart
Don’t do that.

0 comments:
Een reactie plaatsen