MY Love is of a birth as rare
As 'tis, for object, strange and high;
It was begotten by Despair,
Upon Impossibility.
Magnanimous Despair alone
Could show me so divine a thing,
Where feeble hope could ne'er have flown,
But vainly flapped its tinsel wing.
Andrew Marvell "The Definition of Love"
Veel mannen heten Joost en hij is er een van. Hij tikt met zijn vingertoppen op zijn been. Een nutteloze bezigheid waarmee hij onbewust aan de rest van zijn coupé wil laten zien dat hij ergens te laat voor is. Die giechelende meisjes een paar banken verder mogen het jammer vinden dat ze niet meteen kunnen winkelen, maar een man zoals hij heeft verplichtingen. Sommige mensen kunnen plannen, die nemen altijd een trein eerder dan een trein die precies op tijd aankomt. Hij niet. Vandaag moet hij eraan geloven, want hij is veel te laat.
Hij realiseert zich niet eens dat hij een begerenswaardige baan heeft. Met nonchalante willekeur is Joost eigenlijk in zijn huidige positie gegleden. Het kwam zo uit. Hij is een praktisch mens, hij laat zaken op zijn beloop en ziet wel hoe het gaat. Geen echte vechter. Geen individu met zeldzame passie voor een enkel aspect van het leven.
Joost is lid van de afdeling Middelnederlands aan de universiteit. Hij vindt een soort van ledige rust in het doen van onderzoek. Maar hij is een man. Het is zijn geslacht niet eigen om enthousiaste, hoge kreten uit te slaan en een rozige blos op de wangen te krijgen wanneer het zich in zijn element voelt.
Nu is hij te laat voor een afspraak met een student van een vak dat hij geeft. Als invaller weliswaar, maar dat doet zijn prestaties geenszins te niet. Hij is best goed met mensen, maar op zo'n manier dat niemand het door heeft. Joost vraagt zich af of de student in kwestie nog wel blijft wachten. Als hij zich het goed herinnert, was het iemand die de vorige keer zijn kamer niet kon vinden.
De universiteit is gevestigd in oude sfeervolle gebouwen die als gebrek hebben dat de kamernummering meer weg heeft van een willekeurige doolhof dan van enige systematiek. Niet dat hij les geeft aan eerstejaars – nee, zijn vak is een casus waar zich grotendeels deeltijd studenten voor hebben ingeschreven.
X
Ze heeft meer Joosten gekend dan dat eigenlijk goed voor haar is. De eerste Joost was een jeugdliefde, een aaneenschakeling van halfslachtige tekenen van intimiteit. Het leverde haar uiteindelijk niets op. Hij was de eerste echte Joost in haar leven en zodoende had zijn voornaam sindsdien een negatieve connotatie. De Joosten die daarop volgden deden niets om iets aan deze reputatie te veranderen.
Nu wordt haar wederom duidelijk dat iemand die Joost heet eigenlijk bij voorbaat maar beter bij haar vandaan kan blijven. Al een kwartier staat ze bij zijn kamer te wachten - de juiste, deze keer. Ze is wat vroeg, maar van haar docent is nog niets te zien. Wanhopig leest ze een boek over Engelse syntaxis om de rampscenario's uit haar hoofd te bannen. Het lezen lukt niet.
Ze kijkt op haar horloge. Tien over half elf. Ze had met hem een afspraak om half elf. Officieel zou ze al spoedig naar een college moeten, dus word ze enigszins ongeduldig. De meest onwaarschijnlijke dramatische voorvallen drijven al voor haar geestesoog langs - het niet schrijven van een acceptabel onderzoek en het falen van dit vak.
Haar ratio probeert haar te kalmeren. Rustig ademen, gewoon nog even wachten, het is nog niet zo laat. Hoe logisch een vertraging ook klinkt, het lijkt haar zo onwaarschijnlijk dat het nu precies haar zou moeten overkomen. Hij gaat toch ook op tijd weg?
X
Met een diepe zucht kijkt ze nogmaals op haar horloge. Het schreeuwt wanhopig dat het al kwart voor elf is geweest. Ze vermaant zichzelf om nog éven te blijven wachten. Als hij er dan nog niet is, gaat ze weg.
Als ze wederom een poging waagt een zin uit haar boek te lezen, hoort ze stappen. Ze naderen haar in ongekende snelheid, want voor dat ze er erg in heeft komt hij hijgend de hoek om. Een sjaal om zijn nek geslagen, zoals alleen serieuze mensen met belangrijke banen in ultieme haast kunnen hebben. De blos, zo onmiskenbaar voor haast.
Hij glimlacht en verontschuldigt zich – de trein had vertraging. Haar hart doet een hink-stap-sprong in haar borstkas, maar ze is al lang blij dat hij er is en dat ze niet weer bij een verkeerde kamer stond.
Nog steeds lichtelijk hijgend opent hij de deur met zijn sleutel. Ze noteert in haar hoofd dat hij er zo universitair uitziet – wat vaak synoniem is voor geniaal, maar zonder fashion sense. Dat is wat haar zo van de universiteit doet houden. Iedereen is er zo briljant, maar ook zo lelijk eigenzinnig. Excentriciteit is wat de bijzondere mens van het kuddedier onderscheidt.
Terwijl ze op een stoel tegenover zijn bureau gaat zitten doet hij zijn donkerrode jasje uit. Zij heeft haar winterjas al aan – als officiële koukleum. Ze realiseert zich opeens dat mannen in haar omgeving minder last lijken te hebben van externe weersomstandigheden.
Als hij begint te praten over haar onderzoek en haar opzet, dringt het pas tot haar door dat ze zich niet eens zo goed heeft voorbereid. Door al die stress was ze het doel van het gesprek geheel uit het oog verloren.
“We moeten wel een beetje haast maken – om elf uur heb je weer college, toch?” vraagt hij.
“Nou, ik heb iets kunnen veranderen en ga ik pas om twaalf uur. Tijd zat.”
Als ze bijna drie kwartier later zijn kamerdeur achter zich dicht doet voelt ze het opborrelen.

0 comments:
Een reactie plaatsen