
Zijn handen verbergt hij onder de tafel. Ik probeer de laatste stukjes van zijn vlees te vangen en wanhopig in mijn handen vast te houden. Maar hij zegt nee, hij heeft het te koud. We zitten naast een terrasverwarming. Twee dagen geleden scheen te zon nog als was het zomer.
Ik heb een lijstje, in mijn zwarte boekje. Hij pakt het van tafel en leest het door. Ik zie zijn mond vervormen, de spijt is van zijn lippen af te lezen.
"Goede argumenten," knikt hij vervolgens. Ik schud mijn hoofd. Ja, het waren allemaal slimme argumenten, goede redenen waarom ik me niet door hem mocht laten inpalmen.
Toch zitten we hier. Ik als vanouds met een glas Merlot voor mijn neus en hij probeert krampachtig een cocktail weg te slikken.
Onderweg duw ik hem nog een steegje in en vallen we wanhopig elkaars mond aan. Het voelt zo fijn, zo bekend en zo vertrouwd aan. Maar met een bittere nasmaak. Als hij me vasthoudt, mijn vingers in de zijne verstrengelen, dan wil ik hem toch nooit meer laten gaan?
Het is moeilijk, onze situatie. Veel te moeilijk voor woorden en te ingewikkeld voor andere mensen. Ik wil hem slaan en boos op hem zijn en hij zegt dat als ik ruzie nodig heb, ik hem rustig mag slaan. Maar dat het niets brengt, dat we er niets aan hebben.
Hij heeft gelijk. Lippen kapot bijtend en palmen openkrabbend staan we uiteindelijk met onze hoofden triest tegen elkaar aangebogen bij hem voor de deur. Neuzen zoeken elkaar op, lippen raken elkaar kort aan. Ik smeekte hem nog voor de laatste keer met hem te mogen slapen, maar hij zei nee.
"Het is niet de laatste keer. Er is geen afscheid." Hij zegt het zo overtuigd, zo alleswetend.
Als ik op de fiets zit probeer ik hem van me af te schudden. Ik wil eindelijk weer eens vrij zijn.
Nog nooit was ik zo gelukkig als met hem, maar ook nooit was ik zo ongelukkig. En de onzekerheid van de laatste weken schraapt als een ruwe kaasschaaf van mijn rug.
Juist als ik me realiseer dat ik vrijheid meer nodig heb dan wat dan ook, rinkelt mijn telefoon. Ik hoor meteen aan zijn stem dat het niet goed is.
Hij heeft de post bij zijn buren opgehaald. De brief zat er bij. Al over een paar weken moet hij er naartoe. Zijn stem kraakt en ik hoor de tranen door zijn woorden heen. Verdomme, waarom ben ik nou toch niet gewoon bij hem? Ik wil hem aaien en vasthouden en zeggen dat alles goedkomt, ook al gelooft hij me nooit als ik zoiets zeg.
Misschien komt hij over een paar weken wel niet meer terug.
"Ik ga mee, dat weet je, hè?" zeg ik meteen. Ik moet het een paar keer standvastig herhalen voordat hij er mee instemt. Ik ga met je mee. Hoe slecht je me dan wel niet vanuit je voortslepende angst en onzekerheid hebt behandeld, ik ga met je mee.
0 comments:
Een reactie plaatsen