
Soms mensen, is het leven zo verdomd ingewikkeld. Tussen banen die opeens niet meer gelukkig maken, ingewikkelde vriendjes die last hebben van een SOA wat blijkbaar jouw schuld is, de lust en (on)wil te promoveren, de lokroep terug naar Nederland, het aanwinnen van een vers kitten en dan tegelijkertijd nog sluw tussen loerende depressies heen te manoeuveren, is het niet gemakkelijk gelukkig te overleven.
Zwemmen en veel fietsen helpt normaliter in situaties van frustratie en ingewikkeldheid. Maar als je al op maandagochtend op kantoor de SOA-kliniek staat op te bellen omdat vriendlief weer uitslag heeft, dan is een uurtje zwemmen echt niet de oplossing.
Vorige week stond ik nog op 'swerelds grootste reisbranche evenement, de ITB, tussen sjieke mannen in pakken van het ene luxe hotelstandcomplex naar het andere zwalkend, de handen gevuld met hapjes, champagne, ijs en ouzo. En de daaropvolgende vrijdagnacht lig je weer met een snurkende man en een knagende poes in bed. Is dat levensgeluk? Vooral: is het levensgeluk als je uit onmacht alleen maar ruzie kan maken, moeilijk kan doen en eigenlijk wilt opgeven? Wanneer weet je of iets het waard is om voor te vechten, en wanneer iets een hopeloos geval is?
Is het passievolle liefde om bereid te zijn weg te vluchten naar een cacaoplantage in Guatamala - of heet dat misplaatste obessiviteit? In het normale leven zijn we allemaal zo lekker nuchter. Huisje, boompje, beestje - vriendje dat we al sinds ons zestiende levensjaar kennen. Maar tegelijkertijd zijn we liefhebber van liefdesgeschiedenissen over Romeo's en Julia's, van het concept van all-consuming love. Maar als er iemand in het echte leven een gevangenis inbreekt om haar geliefde vrij te krijgen, dan is iemand al snel gestoord.
Hoe vals, eigenlijk. Als kind word je gevoed met Disney films, met dromen en waanbeelden dat het kán en bestaat. En als je dan, later als veertig-jarige vrouw, verdomme besluit je hele hebben en houden te verkopen om met de man van je dromen een muggenkwekerij in Zuid-Ghana te beginnen, verklaart iedereen je voor gek.
Liefde is echt een drug. Soms kan ik er niet door praten, maar alleen zwak-kwijlend en hunkerend vanuit mijn hoekje op de bank stiekem zijn gezicht aanstaren. Maar hij is een man. Nuchter, moe (het is immers vrijdagavond) en mannen vinden het vanzelfsprekend dat ze je lief vinden. Die zeggen dat niet iedere twee seconden en begrijpen niet dat mijn onzekere en wellustige vrouwenoren niets liever horen dan dat.
Hij is toch hier. Duh. Ik moet me niet zo drukmaken om alles. Hij aait me over mijn hoofd, noemt me een eendje en zegt dat ik er lief uitzie als ik huil. Mannen hebben echt geen kaas gegeten van tact.
0 comments:
Een reactie plaatsen